Observaties op woensdagavond

Verschenen in Inzicht nr. 1, februari 2011.

Als ik zeg dat iets onvergeeflijk is, ligt het dan aan de zogenaamde daad of aan het gebrek aan ruimte in mijn hart? Kan er in werkelijkheid iets zijn dat jij me aan kunt doen? Heb ik me zo gedefinieerd dat dit wel kan en iets anders niet? En hoe heb ik dat gedaan? En hoe consistent is dat? Hoe consistent ben jij? Je wil niet dat iemand boos is, klaagt, scheldt, strijdt, iets van je verwacht. En jij dan? Mijn opvattingen wisselen nogal, mijn neigingen zijn tegenstrijdig, mijn wensen en verlangens willen wel eens botsen met mijn vrees, of er door ingegeven zijn. Mijn nuchtere helderheid, en kwetsbare warmte of vijandigheid komen allemaal in hetzelfde op, zijn allen mij, maar toch ben ik veel meer dan dat. Kun jij jezelf bepalen, aan de hand van wat karaktertrekken? Kun jij jezelf zodanig beperken en daarin volharden, zodat de mensen zullen zeggen: ‘Ja, die is zus of zo’? En zal dat de lading dekken? Zal het meer zijn dan een schets? Zal het iets bevatten waaruit kan blijken dat je in wezen een mysterie bent, een universum vol onbegrijpelijke krachten, waar alleen de schijnbare oppervlakte iets voorspelbaars suggereert?

Enkel als en omdat je je zo beperkt en aan van alles probeert te voldoen, geloof je in het verzinsel dat je ‘jezelf’ hebt leren noemen. Maar ik kijk voorbij je masker, je slapende gezicht. Ik zie mijzelf in al je bewegingingen, voel mee met je duisternis en licht, en alles wat daartussen dansend is. En ik maak dezelfde bewegingen, vol verwondering, pijn, streven, loslaten, verwerken, onder ogen komen, ontkennen, doorvoelen; vol kwellingen, uitdagingen, vreugdedansen, uitspattingen, genot, geluk, zwaarte, uitzichtloosheid, humor, optimisme en wat al niet. Hetzelfde als elk mens ervaren mag en zal.

Nooit was het anders of zal het anders zijn. Zij die denken dat God, bewustwording of technologische vooruitgang hierin verandering zal brengen, bewijzen daarmee slachtoffer te zijn van de aloude illusies van hoop en verlangen, van angst en strijd en projectie en geloof in tijd. Het is van alle tijden, want tijd is louter denken, maar beleving kent geen klok, geen tijd – enkel intensiteit.

Wat zegt het eigenlijk als je stelt dat iets twee uur duurt, of een week, of een halve minuut? Wat wordt daarmee gezegd, bewezen, duidelijk gemaakt? Wat zegt het als je vertelt dat het lichaam zich heeft verplaatst, en hoe ver dat was en hoe lang het duurde daar te komen, en weer terug? Wat zegt het als je vertelt wat gezien is, wat er aan objectiefs te kennen viel? Wat mij interesseren zou is wat het je gedaan heeft. Leverde het een inzicht op, een verandering van richting? Heeft het je hart geraakt en hoe dan? Beschrijf dat eens, en niet enkel het decor. Hoe beleef jij jezelf, het leven, de energieën die stromen, op elkaar inwerken en belevenissen en stemmingen tevoorschijn toveren? Wat heb je ontdekt over het bestaan? Wat heb je gezien dat dieper gaat dan objecten en vlees en bezit?

Heb je door hoe magisch alles is? In een seconde kan ik zien wie ziet en wie niet. Vermoeiend soms zovelen te zien die louter aan de buitenkant lijken te leven, aan de oppervlakte van het bestaan; die de magie niet zien op elke straathoek, in elke kwetsing, interactie, in elk dankbaar gebaar. De eenzaamheid van de oude man in het wegrestaurant met zijn rood met blauw gestreepte sjaal, naar niets op weg, van nergens komend, denkend aan zijn overleden vrouw. De taxichauffeur die eindeloos rookt met draaiende motor en wacht op een niet bestaande klant, met dode ogen kijkt, maar niet ziet. De oude dame in het naaigarenzaakje, net zo vol van zichzelf als van haar kleurig gevulde schappen, afgevend op haar man die, zoals alle mannen, maar één ding tegelijk kan. De mezen aan de zoveelste bol, die heen en weer vliegend het leven vertegenwoordigen, gejaagd al het gratis voer naar binnen werkend en elkaar verjagen. De roodborst en de merel op de grond eronder, blij met hun geknoei. Alles vertelt het verhaal van zijn, in allerlei lagen, en altijd weer en weer.

Wist jij al, werkelijk, dat je vele levens tegelijk leeft? Dat je naam legio is, en er niet een ‘jij’ is, behalve in de zin van een totaal onbevattelijke totaliteit? Wist je dat je niet bestaat, maar enkel kent?